De vierschaar voor het strafrecht werd gespannen in het Gravensteen op vrijdag. De vonnissen werden over het algemeen op zaterdag, de marktdag, uitgevoerd. De baljuw trad op als eiser van de straf. Hij verzocht het college van schepenen om uitspraak te doen. De baljuw was ook belast met het uitvoeren van het vonnis waarvoor hij een beul inhuurde. Het gerechtelijk onderzoek werd uitgevoerd door de schout en schepenen samen met de baljuw. De schepenen waren voorname burgers die belast waren met het stadsbestuur. Je moest wel al twintig jaar inwoner of poorter van Zierikzee zijn.
...De schout was geen onderdeel van de vierschaar, hij was wel de rechterhand van de baljuw. Er was bij de zittingen ook een griffier aanwezig die zaken noteerde waaronder de misdaad, namen en het vonnis. Er waren ook een aantal procureurs en advocaten aanwezig bij de zittingen. Als er getuigen waren werden die gehoord tijdens het gerechtelijk onderzoek. Een bekentenis was nodig voor een vonnis, als het bewijs duidelijk maakte dat iemand een daad had begaan, maar die persoon bekende niet, dan werd de beul ingeschakeld. Via de pijnbank en andere vormen van marteling werd een bekentenis alsnog afgedwongen.
Om een idee te geven van veroordelingen in het Gravensteen volgen hierna enkele voorbeelden van de vele honderden die zijn beschreven in de ‘ Waerheijdsboeken’. Dat zijn registers van vonnissen in criminele zaken in beheer bij het Zeeuws Archief:
IJseren Bil
In 1494 werden twee vrouwen voor de vierschaar gebracht. Ze waren beschuldigd van prostitutie. Ze werden alle twee veroordeeld tot een bedevaart. De ene vrouw met de naam Maye Yeman moest op bedevaart naar Aken. Bovendien moest ze volgens de veroordeling: “ … ende dair nae draegen een roe stroode buten op huer mouwe”. De andere vrouw was Markin Oole, bijgenaamd Iseren Bil. Ze was in 1492 al eerder veroordeeld tot een bedevaart naar Halle. In dit geval van recidive veroordeelde het gerecht haar tot een bedevaart naar Aken. Aken was een bekende bedevaartplaats dat nog was ingesteld door Keizer Karel de Grote.
Papezoen
In 1502 werden Cateline Lauwe, Claes Pier Papezoen en Mariken Lievens veroordeeld wegens het stelen van hout. Dat hout was van de polder Schouwen. Alle drie moesten ze vijf pond aan de baljuw betalen en bovendien de schade aan de polder vergoeden op straffe van een dubbele boete. Vervolgens moesten ze voor zonsopgang vertrekken voor een bedevaart naar Onze Lieve Vrouwe in Aardenburg. Bij terugkomst moesten ze bewijsstukken overleggen daar geweest te zijn. Ontbrak het bewijs dan zou Claes zijn hand worden afgehouwen en Caroline en Mariken de toppen van hun duimen.
Cluyfkin
In 1517 sloeg Lyevyn Corneliszoon bijgenaamd Cluyfkin, de boel kort en klein in het huis van zijn stiefouders Yeman Cornelie. Hij werd opgepakt en voor de vierschaar geleid waar hij werd veroordeelde tot boetes van 60 pond voor de baljuw en 10 pond voor de stad. Bovendien werd hij drie jaar verbannen en mocht pas weer terugkomen nadat hij een bedevaart naar Rome had voltooid. Om dat te bewijzen moest hij bij eventuele terugkomst daarvan deugdelijk bewijsstukken laten zien. Cluyfkin kwam veel eerder terug van de verbanning en werd opnieuw in bewaring gesteld. De vierschaar veroordeelde hem tot extra boetes van 40 pond voor de baljuw en 5 pond voor de stad. Bovendien moest hij boven op de al opgelegde verbanning van drie jaar nog een jaar langer wegblijven. Mocht hij opnieuw eerder terugkeren, dan zou hij ter dood worden gebracht.
Schoonooge
In 1566 is voor de vierschaar verschenen Job Iemansen die ook wel “Schoonooge” genoemd werd. Hij werd beschuldigd van landloperij en bedelen op diverse plaatsen. Hij werd veroordeeld tot 6 jaar dienst op een galei van Zijne Majesteit en gedurende die 6 jaar werd hij verbannen uit Nederland. Er werd hem gewaarschuwd dat als hij eerder probeerde terug te keren er lijfstraffen zouden volgen.
Barbarij
In juli 1758 trokken twee jonge mannen, Thomas Hamilton en Francis Poorters uit Londen, door Schouwen-Duiveland. Ze beweerden broers te zijn. Hamilton en Poorters zochten in Brouwershaven en in de dorpen op Schouwen-Duiveland de predikanten en diakenen op. Hamilton toonde een vals getuigschrift waaruit bleek dat hun broer slachtoffer was van Barbarijse zeerovers en in Turkse slavernij zat. Hij probeerde de slachtoffers zo geld af te troggelen om hem te kunnen vrijkopen. Bovendien deed hij het voorkomen alsof hij zelf ook slaaf was geweest en dat zijn tong was afgesneden. Hij deed dat door niet te praten, maar zijn bedoeling met gebaren aan te geven en door het tonen van papieren. Poorters trad op als tolk en bevestigde dat zijn broer Thomas in Turkse slavernij was geweest. Ze werden opgepakt en in het Gravensteen in Zierikzee opgesloten. Op 26 augustus 1758 werd het vonnis geveld. Hamilton en Poorters werden veroordeeld tot geseling met roeden op het schavot voor het Gravensteen en eeuwige verbanning uit Zeeland, Holland en West-Friesland.
Zwijmvoren
Veel later diende de zaak van Cornelis van Zwijmvoren. Hij stal op 18-jarige leeftijd in de herberg van Vergulde Anker uit de zak van matroos John Kroese een Zeeuwse rijksdaalder, op 5 december. De rechtbank sprak hem op 29 december 1815 vrij wegens gebrek aan bewijs. Nauwelijks 3 maanden later op 15 maart 1816 stond hij weer voor de rechtbank. Ditmaal had hij een omslagdoek gestolen uit de winkel van Antonia Akkerdaas. Cornelis voerde als excuus en ter verdediging aan dat hij dronken was geweest. De rechtbank veroordeeld hem tot 5 jaar cel, mogelijk ook omdat hij kort daarvoor ook al in het vizier van de rechtbank was geweest wegens vermeende diefstal.
Terug naar

