Voor de strafrechtbank, voor de zware gevallen, werd in het Gravensteen de vierschaar gespannen, ook wel “hoge” vierschaar genoemd. De vierschaar kwam één keer in de week bijeen op vrijdag en de zittingen waren openbaar. De baljuw en enkele schepenen (invloedrijke burgers) maakten deel uit van wat wij nu de rechterlijke macht zouden noemen. Zij konden echter geen vonnis uitspreken zonder een bekentenis, forensisch bewijs werd niet verzameld en ooggetuigenverklaringen waren vaak onbetrouwbaar. Als een gevangene geen vrijwillige bekentenis wilde afgeven kon de scherprechter, ook wel beul genoemd, worden ingezet om via marteling alsnog een bekentenis af te dwingen. De scherprechter had zijn werkruimte in de kelder van het Gravensteen.
Zitting van een rechtbank. Miniatuur in de Historiebijbel van Evert Zoudenbalch, Utrecht, ca. 1460
...
Tortuur en foltering waren geen straffen, maar onderzoeksmethoden. In bronnen wordt dan ook gesproken van een ‘scherp examen’ dat werd afgenomen door een ‘scherprechter’. Bij gebrek aan moderne opsporingstechnieken was een bekentenis van de verdachte nodig om de bewijslast rond te krijgen. Wanneer dit niet goedschiks lukte, dan moest het maar kwaadschiks, was de gedachte. Het pijnigen van verdachten met het doel een bekentenis te krijgen is in de Nederlanden opgekomen vanaf de 13de eeuw.
Zodra een bekentenis gegeven was kon er recht gesproken worden door de vierschaar. De straffen waren vaak lijfstraffen zoals, het afhakken van handen of afsnijden van oren bijvoorbeeld, maar ook boetes en straffen die wij nu “public shaming” zouden noemen. Zo kon een veroordeelde gestraft worden door in de publieke ruimte met schandstenen om de nek rond te lopen. De schandstenen of Stenen der Wet zijn nu nog te zien in het Stadhuismuseum, twee zware stenen die aan een beugel hangen. Brandmerken en geselen met een zweep of stok was ook een straf, evenals verbanning of een verplichte bedevaartstocht. Misdadigers konden ook in het schandblok vastgezet worden en er konden dan stenen of viezigheid naar hen gegooid worden.
De straffen werden voor het Gravensteen op een houten schavot uitgevoerd en iedereen kon ernaar komen kijken. Het houten schavot werd voor het bordes van de ingang opgebouwd. Het was vaak leedvermaak voor mensen maar voor het bestuur van de stad was het ook belangrijk. Het toonde de rechterlijke macht en de gevolgen van misdaad en het was bedoeld als afschrikwekkend middel om zoveel mogelijk de orde te bewaren. Dit werd ook toegepast voor bemanningen van de schepen die naar Zierikzee kwamen. Als een veroordeelde opgehangen was werd het lichaam vaak opnieuw gehangen buiten de stadsmuren op het “Galgenveld” in de Galgenpolder. De naam Galgenpolder bestaat nog steeds. Het is een gebied bij de Weg naar de Val, richting Zeelandbrug. De bemanning van de schepen die langs de Galgenpolder voeren konden duidelijk zien dat er recht gesproken werd in Zierikzee. Zij waren dus gewaarschuwd om zich te gedragen!
Lijfstraffen waren tot 1810 gebruikelijk, dit veranderde toen Zeeland in 1811 onder Frans bestuur kwam. De Franse wet beschouwde lijfstraffen als iets barbaars en deze werden afgeschaft en vaak vervangen door langere opsluiting of andere straffen. In 1854 werden de schavotstraffen ook afgeschaft, gevolgd door de afschaffing van de doodstraf in 1870.
Het laatste maal voor de uitvoering van de doodstraf. Tekening van Jacobus Buys (1724-1801) Rijksmuseum