Wie is Bertha Wilkens
Haar grootvader Abraham Wilkens is geboren in Den Haag, haar grootmoeder Regina Gras in Bastheim in Duitsland. De moeder van Abraham komt uit Zierikzee en is van de bekende familie Frenk die een slagerij hebben in de Maarstraat. Dat doet Abraham en Regina besluiten in de Sint Domusstraat op nr. 42 een slagersbedrijf te beginnen. Ze gaan wonen in de Breedstraat op nr. 10 en krijgen vijf kinderen: Selma, Izaäk (Ies), Lena, Herman en Adolph (Dolf). Lena trouwt met Jan de Ruiter die kapper is in Schiedam. Herman trouwt met Maria Stuster en begint een kapperszaak in Amsterdam.
Abraham neemt in 1932 de slagerij in de Maarstraat over van de familie Frenk. Zijn nicht Betje Frenk blijft boven de zaak wonen. Selma, Ies en Dolf werken volop mee in het slagersbedrijf. Selma en Dolf wonen bij hun ouders in de Breedstraat. Ies trouwt in 1934 met Stella Israëls uit Winschoten. Ze gaan wonen in de Hofferstraat op nr. 38. In 1937 neemt Ies de slagerij in de Maarstraat van zijn vader over. Hij moderniseert de zaak, waar achternicht Betje gewoon blijft wonen....
Op 13 augustus 1936 wordt Bertha geboren, een schat van een kind en de oogappel van Ies en Stella en haar grootouders. Dan breekt de oorlog uit. Bertha is nog maar een peuter van nog geen vier wanneer de Duitsers Nederland binnenvallen. Voor haar gaat het leven nog gewoon door, maar de familie Wilkens voelt de dreiging stap voor stap toenemen. In 1941 overlijdt grootmoeder Regina Gras.
Wat is er gebeurd
Steeds meer beperkingen worden opgelegd aan Joodse mensen: van registratie, via uitsluiting naar deportatie. Dan breekt de rampzalige maand maart 1942 aan. Op 19 maart 1942, valt een brief op de deurmat in de Breedstraat en Hofferstraat. Die is van de Joodse Raad uit Amsterdam, doorgestuurd door de burgemeester. Het bericht is een grote schok voor de familie Wilkens.
“De Duitsche autoriteiten hebben ons bericht dat Dinsdag 24 Maart a.s. de politie des voormiddags na 8 uur bij U thuis zal komen met het bevel Uw woning te verlaten en haar de sleutels te overhandigen. U moogt dien dag Uw huis niet verlaten vóór de politie U daartoe aanwijzingen geeft. De bedoeling is dat U dien dag naar Amsterdam verhuisd om U daar te vestigen. U moogt aan bagage zooveel medenemen als ieder gezinslid kan dragen. …”
Ze hebben maar enkele dagen om hun spullen in te pakken. Bertha’s kleertjes, wat speelgoed en een kinderboekje gaan in een koffer. Op 24 maart staan ze in de vroege ochtend op het Havenplein: grootvader Abraham, tante Selma, oom Dolf, vader Ies en moeder Stella. Bertha vindt het wel spannend, op reis met de boot, de tram en de trein. Met z’n zessen worden ze met nog zestien andere Joodse mensen uit Zierikzee door het Vrijpoortje afgevoerd op weg naar het tramstation. Oom Dolf duikt onder in Den Haag, wordt verraden en alsnog naar Amsterdam gedeporteerd.
In Amsterdam moeten ze zich melden bij de Joodse Raad. Oom Herman met zijn vrouw Maria wonen al in Amsterdam. Grootvader Abraham kan bij hen intrekken en Ies en Stella vinden onderdak in het Joodse Kwartier. De omstandigheden in de dichtbevolkte Joodse wijken worden alsmaar slechter. De razzia’s volgen elkaar op. In februari 1943 wordt grootvader Abraham bij een razzia opgepakt en naar Westerbork gebracht.
Ies en Stella proberen wanhopig een onderduikadres te vinden Ze krijgen een aanbod voor twee volwassenen, maar het gezin opsplitsen willen ze niet. Via de Joodse Raad in Amsterdam komt het verzoek om je aan te melden voor een werkkamp in het oosten. Werken, dat zou hun overlevingskans kunnen vergroten en daarmee hun gezin beschermen. Wie werkt, is nuttig en wordt gespaard, is de gedachte. ‘Vrijwillig’ melden roept wellicht minder geweld op dan onderduiken of opgepakt worden bij een razzia.
Ies en Stella geven gehoor aan de oproep, een wanhopige vlucht naar voren. Samen met ongeveer 500 andere Joodse mensen staan ze op 25 mei 1943 op de Polderweg vlak bij het Muiderpoortstation. Daar staat een speciale trein klaar richting Westerbork. Ies heeft een briefkaart geschreven voor zijn zus Lena en gooit die uit het raampje. Niet zeker of de kaart zal worden gevonden schrijft hij haar ook een brief: “ …Bertha weet nog nergens van, zij denkt nog steeds dat ze voor plezier uit is omdat ze in de trein zit … “.
Ze zijn nog maar net in Westerbork aangekomen en worden direct doorgejaagd naar een trein met bestemming vernietigingskamp Sobibor. Met dit transport nr. 13 gaan 2.862 mensen mee. De trein bestaat uit goederenwagons en doet er drie dagen over om Sobibor te bereiken. Direct na aankomst wordt iedereen vermoord. Ies is 38, Stella 36 en Bertha 6 jaar oud geworden.
Abraham is in februari 1942 al vermoord in Auschwitz, 68 jaar oud. Selma in juli 1943 in Sobibor, 38 jaar oud en Dolf in februari 1944 ergens in Polen, 29 jaar oud. Betje Frenk is in april 1943 vermoord in Sobibor, 87 jaar oud. Herman en Lena ontlopen dit lot doordat ze gemengd gehuwd zijn.
Jaren later werd in de opslag van het Leger des Heils in Amsterdam een kinderboekje gevonden: ‘Het avontuur van Kobus Knabbel’. Achterin staat geschreven: “Ter nagedachtenis aan Bertha uit Zierikzee …”.
Foto van Bertha Wilkens. Familiearchief Mieke de Ruiter. Mieke is de dochter van Lena Wilkens.
Stella Israëls en Ies Wilkens. Familiearchief Mieke de Ruiter.
Ies, Abraham en Selma voor de slagerswinkel van A. S. Frenk in de Maarstraat circa 1930. Zeeuws Archief ZZE 0635
Deel van de brief van Ies aan Lena, geschreven in de trein naar Westerbork. “Beste Fam. Heb wel een briefkaart uit de trein gegooid maar weet niet of die jullie wel bereikt, vandaar dat ik te zelfder tijd nog een brief in elkaar zet. Zoals Lena weet had ik contact met die dame, nu dat is die dag niets geworden. Nu was ze vanmorgen om acht uur al ergens achteraangegaan en voor twaalf uur kreeg ik bericht dat ’t wel met 2 man kon maar niet met kind, dus het enige wat me te doen stond was gaan. Jullie kunnen wel begrijpen dat ‘t hard was, vooral omdat het de tweede keer is … “, Familiearchief Mieke de Ruiter.
Het avontuur van Kobus Knabbel, kinderboek van Bertha Wilkens, uitgegeven door El Pintor in 1941, Nationale Bibliotheek.